Ja, ik ga ervoor, zeg ik tegen mezelf. Ik ga het arbeidsdeskundig onderzoek in met het bekende riedeltje in mijn hoofd: kan ik mijn eigen werk nog doen, eventueel met aanpassingen? En zo niet, is er passend werk binnen of buiten de organisatie?
In mijn hoofd is het scenario helder. Misschien lukt mijn werk niet meer zoals het was, maar met aanpassingen moet terugkeer toch mogelijk zijn. Tegelijkertijd begrijp ik rationeel dat er naar het tweede spoor (lees: ander werk buiten de organisatie) gekeken wordt. Ik ben immers al bijna een jaar ziek. Dat voelt ingewikkeld, en toch snap ik dat de organisatie moet kijken naar het wettelijke kader.
Ik bereid me voor op het gesprek samen met mijn jobcoach. Dat hij meegaat geeft rust. Dit gesprek kan mijn toekomst bepalen, en ik wil daar niet alleen in staan. Ik zit daar niet alleen als werknemer, maar ook als iemand die dit proces van de andere kant kent, namelijk als casemanager.
Het gesprek verloopt in fases: eerst afzonderlijk met mij, daarna met mijn werkgever en als laatste samen. Ik ben goed voorbereid en weet wat ik wil zeggen en wat ik nog wél kan. Ik neem wat lekkers mee om het wachten te verzachten en het gesprek misschien minder formeel te maken. Ik wil dat er goed wordt gezorgd. Toch voelt het gesprek afstandelijk. Alsof het niet helemaal over mij gaat. Ik hoor de woorden, maar ze raken me nog niet.
Tot het advies komt. Dan land ik in één klap weer in de realiteit.
Het advies komt hard binnen: terugkeer in mijn eigen werk is niet meer mogelijk. Ook niet met aanpassingen. Dat had ik niet zien aankomen.
Daarbovenop volgt het advies om een vervroegde WIA-aanvraag te doen. Ik voel boosheid en verdriet tegelijk. Ik laat een traan, maar voel weinig ruimte om echt mijn gevoel te uiten. Sterk blijven, hoor ik mezelf denken.
Na het gesprek gaan zij verder met hun dag. Met hun leven.
En ik?
Ik weet het niet. Ik wil de controle houden, maar moet toegeven dat ik die op dit moment niet heb.
Mijn leidinggevende en de arbeidsdeskundige vertrekken. Mijn jobcoach blijft. En dat maakt het verschil. Hij blijft om na te praten. Om te luisteren. Om er te zijn.
De uitkomst moet ik laten bezinken. Zolang het nog niet zwart op wit staat, kan ik het heel even wegschuiven. Maar dat duurt niet lang.
Mijn werkgever is al gericht op de volgende stap, en ik ga mee. Omdat ik alles goed wil doen. Omdat ik me verantwoordelijk voel. In mijn hoofd begin ik al aan de vervroegde WIA-aanvraag, want dat is immers het advies.
Het onderzoek heeft een enorme impact. Ik ga erin met hoop op aanpassing en terugkeer. Ik kom eruit met loslaten. En toch laat ik nog niet los.
Ik ga vechten om te laten zien dat ik het allemaal wel kan. Dat ik gewoon kan terugkeren in mijn oude werk.
Maar nu eerst naar huis. Wachten tot de rolstoeltaxi me komt halen.
Stomme rolstoel. Stomme taxi. Alles is stom.
En ik drijf steeds iets verder weg van mijn eigen werk.
En dat wil ik helemaal niet.